Pensioen

Lijfrente pensioen

Vanaf 1 januari 2008 kunnen consumenten ervoor kiezen deze premies (ook) onder te brengen bij een bank of beleggingsinstelling. De huidige Wet IB 2001 kent drie verschillende soorten verzekerde lijfrentevormen die afgesloten kunnen worden ter compensatie van een pensioentekort. Het gaat hierbij om:

- de levenslange oudedagslijfrente: dit is een lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de verzekeringnemer. De termijnen gaan uiterlijk in, in het kalenderjaar dat de verzekeringnemer 70 jaar wordt en eindigen uitsluitend bij zijn overlijden.

- de nabestaandenlijfrente: dit is een lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon. De termijnen gaan in op het moment van overlijden van de verzekeringnemer, zijn partner dan wel gewezen partner. Voor de duur van de nabestaandenlijfrente moet onderscheid worden gemaakt tussen lijfrenten die toekomen aan een familielid jonger dan 30 jaar, dan wel ouder dan 30 jaar (de (klein)kinderen, de (groot)ouders, broers en zussen),en lijfrenten die toekomen aan een niet-familielid (waaronder de partner!).

- de tijdelijke oudedagslijfrente: dit is een lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de verzekeringnemer en een looptijd hebben van ten minste vijf jaar. De termijnen mogen niet eerder ingaan dan in het kalenderjaar dat de verzekeringnemer de 65-jarige leeftijd bereikt en uiterlijk ingaan in het kalenderjaar dat de verzekeringnemer 70 jaar wordt. Het gezamenlijke bedrag aan uitkeringen mag niet meer bedragen dan 19 761 euro per jaar (bedrag 2008).

  De bancaire lijfrenten

De bancaire lijfrenten vormen de tegenhangers van de verzekerde lijfrenten. Nu de huidige Wet IB 2001 drie verzekerde lijfrentevormen kent, zijn er ook drie bancaire lijfrenten geïntroduceerd: de bancaire levenslange' oudedagslijfrente, de bancaire tijdelijke lijfrente en de bancaire nabestaandenlijfrente.

De bancaire levenslange' oudedagslijfrente

Een bancaire levenslange' oudedagslijfrente moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

- De termijnen moeten toekomen aan de rekeninghouder;
- De termijnen moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin de rekeninghouder de leeftijd van 70 jaar bereikt;
- De periode tussen de eerste en de laatste termijn bedraagt ten minste twintig jaar;
- Als de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin de rekeninghouder de 65-jarige leeftijd bereikt, bedraagt de periode tussen de eerste en de laatste termijn ten minste twintig jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de verzekeringnemer jonger is dan 65 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn.

In tegenstelling tot een verzekerde lijfrente is het niet mogelijk de uitkeringen uit een bancaire oudedagslijfrente bij het overlijden van de (gewezen) partner te verlagen. Er vindt dus altijd een 100% overgang plaats.

De bancaire tijdelijke oudedagslijfrente

Voor een verzekerde lijfrente geldt dat de termijnen moeten toekomen aan de verzekeringnemer, een looptijd moeten hebben van ten minste vijf jaar en dat de termijnen niet eerder mogen ingaan dan in het kalenderjaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt. De termijnen mogen uiterlijk ingaan in het kalenderjaar dat de verzekeringnemer de 70-jarige leeftijd bereikt. Het gezamenlijke bedrag van de uitkeringen mogen niet meer dan 19 761 per (bedrag 2008) per jaar bedragen.

De bancaire tegenhanger van de verzekerde lijfrente is de bancaire tijdelijke lijfrente. Aan de bancaire tijdelijke lijfrente worden de volgende voorwaarden gesteld:

- De termijnen komen toe aan de rekeninghouder;

- De eerste termijn moet worden uitgekeerd na het kalenderjaar waarin de rekeninghouder de leeftijd van 64 jaar heeft bereikt;

- De termijnen moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin de rekeninghouder de leeftijd van 70 jaar bereikt;

- De periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn bedraagt ten minste vijf jaar;

- Het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar beloopt niet meer dan 19 449 (bedrag 2008).

De bancaire nabestaandenlijfrente

De tegenhanger van de verzekerde nabestaandenlijfrente is de bancaire nabestaandenlijfrente. Bij een verzekerde nabestaandenlijfrente gaan de termijnen in bij het overlijden van de verzekeringnemer, zijn partner of zijn gewezen partner. De termijnen mogen toekomen aan de verzekeringnemer maar ook aan een ander. Bij de bancaire nabestaandenlijfrente maakt het wetsvoorstel onderscheid tussen het overlijden van de (gewezen) partner van de rekeninghouder tijdens de opbouwfase van de lijfrenten en het overlijden van de rekeninghouder zelf tijdens de opbouw of tijdens de uitkeringsperiode van de bancaire lijfrente.

Het overlijden van de (gewezen) partner tijdens de opbouwfase

Als de (gewezen) partner van de rekeninghouder tijdens de opbouwfase komt te overlijden, kan de rekeninghouder het kapitaal op de geblokkeerde rekening gebruiken voor een nabestaandenlijfrente. Deze bancaire nabestaandenlijfrente moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

- De termijnen moeten toekomen aan de rekeninghouder;

- De uitkering van de eerste termijn moet plaatsvinden binnen zes maanden na het overlijden van de (gewezen) partner;

- De periode tussen de eerste en de laatste termijn bedraagt ten minste vijf jaar.

Het overlijden van de rekeninghouder

Voor de bancaire nabestaandenlijfrente waarbij de rekeninghouder komt te overlijden in de opbouwfase dan wel in de uitkeringsfase geldt dat moet worden gekeken wie gerechtigd is om van het vrijkomende' kapitaal een nabestaandenlijfrente aan te kopen.
 

Als de termijnen uit de nabestaandenlijfrente toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de (gewezen) partner, in rechte lijn of in de tweede of derde graag van de zijlijn en die ouder is dan dertig jaar, dan gelden de volgende voorwaarden:

            De termijnen moeten direct ingaan na het overlijden van de rekeninghouder;

            De periode tussen de eerste en de laatste termijn bedraagt ten minste twintig jaar.

 

Voor de verzekerde nabestaandenlijfrente geldt in het geval de lijfrentetermijnen toekomen aan een bloed - of aanverwant die ouder is dan 30 jaar dat de termijnen levenslang moeten worden uitgekeerd. Voor deze bancaire tegenhanger is ervoor gekozen om onder levenslang slechts' 20 jaar te verstaan, ongeacht wanneer (na de 30-jarige leeftijd) deze bancaire nabestaandenlijfrente ingaat. De bancaire nabestaandenlijfrente wijkt op dit punt dus in belangrijke mate af van de verzekerde nabestaandenlijfrente.

           
Voor verzekerde nabestaandenlijfrenten is in een besluit goedgekeurd dat in het geval een nabestaande recht heeft op een Anw-uitkering dan wel kinderen heeft die recht hebben op een Anw-uitkering, de nabestaandenlijfrente mag worden uitgesteld totdat het recht op Anw komt te vervallen dan wel tot de 18-jarige leeftijd van het jongste kind. Voor de bancaire nabestaandenlijfrente is dit nog niet geregeld, maar de verwachting is dat het uitstellen ook voor de bancaire nabestaandenlijfrente mogelijk wordt gemaakt.

Begunstigden versus erfgenamen

Op een verzekerde lijfrente zijn de begunstigden opgenomen in de polis en kan de verzekeringnemer zelf de kring van begunstigden aanwijzen. Een bancaire lijfrente kent geen kring van begunstigden. Bij in leven zijn van de rekeninghouder komen de termijnen, net als bij een verzekerde lijfrente, toe aan de rekeninghouder. Bij overlijden van de rekeninghouder komen de termijnen toe aan de wettelijke of de testamentaire erfgenamen. De rekeninghouder kan dus niet per bancaire lijfrente aangeven wie de begunstigde voor de nabestaandenlijfrentetermijnen is. Als hij dit expliciet wil aangeven, moet hij dit doen in zijn testament.

Als de rekeninghouder gedurende de looptijd van een bancaire oudedagslijfrente overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen. Hetzelfde geldt voor een al uitkerende nabestaandenlijfrente. Als vervolgens de begunstigde' voor de bancaire nabestaandenlijfrente overlijdt voordat de laatste termijn is uitgekeerd, gaan de uitkeringen weer over op zijn erfgenamen. Dit gaat door totdat de rekening leeg is. Kapitaalverlies bij een bancaire lijfrente komt dan ook nooit voor. Dit is anders bij een verzekerde lijfrente. Als bij een direct ingaande verzekerde lijfrente de verzekerde(n) komt(en) te overlijden, dan houdt de lijfrente op met uitkeren. Overigens is bij het vaststellen van de hoogte van de termijnen rekening gehouden met deze vooroverlijdenskans. Om kapitaalverlies te voorkomen kan een contraverzekering worden afgesloten. Bij een bancaire lijfrente wordt dus geen kortlevenrisico gelopen. Wel daarentegen een langlevenrisico. Als een levenslange oudedagslijfrente bij een verzekeraar is overeengekomen, keert deze lijfrente ook daadwerkelijk levenslang uit, ongeacht hoe oud de verzekerde wordt. Is daarentegen een bancaire lijfrente afgesloten dan houden de uitkeringen na verloop van (in de regel) 20 jaar op.

Aankoop lijfrente alleen mogelijk bij verzekeraar

De bancaire lijfrenten zijn de tegenhanger van de verzekerde lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort. Premies voor lijfrenten die niet dienen ter compensatie van een pensioentekort, kunnen dan ook niet aangewend worden voor een bancaire lijfrente. Denk hierbij aan de volgende lijfrenten:

-de lijfrente voor het invalide (klein)kind;

-de alimentatielijfrente;

-de pensioenverrekeningslijfrente;

-de overbruggingslijfrente; en

-goudenhanddrukstamrechtlijfrenten.

 
Voor deze lijfrenten geldt dat het afsluiten alleen bij een verzekeraar mogelijk is.


SEOshop